Stuiteren, hinkelen, klimmen. Kinderen kunnen het niet meer.

Stuiteren, hinkelen, klimmen. Kinderen kunnen het niet meer.

Door Anne Hulshoff

Het is een actueel onderwerp op het nieuws, kinderen en bewegen. Uit verschillende onderzoeken komt steeds vaker naar voren dat kinderen steeds minderen bewegen. De gevolgen hiervan kunnen zijn dat ze hierdoor ook motorisch minder vaardig worden. Maar hoe zit dit nou precies? Waarom bewegen kinderen tegenwoordig minder? En was is nu de relatie tussen de hoeveelheid van bewegen en de motorische ontwikkeling?

 

Buitenspelen

Kinderen spelen anno 2018 steeds minderen buiten. Door de ontwikkeling van de sociale media en het gamen, communiceren ze veel meer via deze wegen met elkaar en hoeven ze elkaar helemaal niet buitenshuis (buiten) te ontmoeten. Met simpelweg het gevolg dat ze dus ook niet getriggerd worden om buiten te gaan spelen.

Terwijl buitenspelen juist zo ontzettend belangrijk is. Naast dat ze face to face leren communiceren, worden er ook andere activiteiten van het brein gevraagd. Het creatieve vermogen om samen met je vriendjes een nieuw spel te bedenken of een boomhut te bouwen. Je leert inschatten of iets veilig is om te doen. Je leert samenwerken en je verbetert je empathisch vermogen om in te schatten hoe het samenspel verloopt met de andere kinderen. Zie hieronder een filmpje van professor Erik Scherder over spelen en bewegen.

Dit zijn al een hele hoop dingen die ze van hun jonge brein vragen en dan heb ik het nog niet eens over de fysieke vaardigheden die ze ontwikkelen bij het buitenspelen gehad.

 

Motorische ontwikkeling

De motorische ontwikkeling verloopt in fases. In de babyleeftijd leren ze rollen, tijgeren, kruipen, staan en lopen. Dit zijn allemaal basisvaardigheden die nodig zijn om uiteindelijk op de middelbare school mee te kunnen doen met bijvoorbeeld de gymlessen. Maar er gebeurt nog een hele hoop voor dat je zo ver bent.

Op het moment dat je een nieuwe vaardigheid hebt geleerd houdt de ontwikkeling hiervan niet op, de vaardigheid wordt steeds een beetje verbeterd. Waardoor het er soepeler en vloeiender uit gaat zien. Naast dat de uitvoering van de vaardigheid zich verfijnt, zien we ook dat de uitvoering complexer kan worden gemaakt, denk bijvoorbeeld aan dubbeltaken. Het rennen met een bal om je heen kijken en een bal gooien, is daar een voorbeeld van.

Buitenspelen triggert al deze facetten van de verdere motorische ontwikkeling. Het is vaak een veelzijdige vorm van spelen waar verschillende motorische vaardigheden van het kind gevraagd worden. De brede motorische ontwikkeling wordt hierdoor gestimuleerd.

 

Zelfvertrouwen

Kinderen die veel buitenspelen zullen vaak verschillend spel laten zien van hutten bouwen, tot voetballen op het plein of tikkertje. Deze kinderen krijgen een breed aanbod van bewegen. Ze leren zich aan te passen aan verschillende spelsituaties maar ook aan hun eigen `kunnen`. Deze kinderen passen de vaardigheid zo aan tot dat ze het zelf kunnen. Lukt iets niet in één keer dan maken ze het eerst makkelijker voor zichzelf of ze oefenen het net zo vaak tot dat ze het wel kunnen. Hierdoor hebben ze vaker een succes ervaring wanneer ze iets nieuws geleerd en dit helpt bij het vergroten van het zelfvertrouwen.

Een positief zelfbeeld is denk ik wel één van de belangrijkste punten om meer zelfvertrouwen te kunnen krijgen. Een gelukkig kind dat goed in zijn vel zit zal veel beter kunnen omgaan met fouten die hij maakt. Hij zal veel minder teleurgesteld zijn als iets niet in één keer lukt.

 

Zelfontdekkend leren

In een eerdere Monkey Moves blog had mijn collega Bart Poot het al over `zelfontdekkend leren`. Hierin legt hij uit dat wij tijdens onze lessen het explorende gedrag van de apekoppen stimuleren. Na het warming up dansje en spel mogen de apekoppen het parcours gaan ontdekken. We zien dat kinderen een geweldige reactieve manier van kijken naar het parcours hebben en op veel verschillende manier er overheen gaan. Deze actieve manier van leren zorgt ervoor dat wat er geleerd wordt, beter onthouden wordt. Voor ons als docenten is het dus de kunst om een balans te vinden tussen `vrijspel` en gericht opdrachten uitvoeren. En zelfs de opdrachten die wij geven bij een specifieke sport zullen soms wat afwijken zoals wij het uit onze eigen gymlessen kennen. We proberen middels verschillend materiaal, onderlagen of omgevingen etc. veel variatie aan te brengen in de sport/beweging, zoals stuiteren over een bank bij basketbal.

 

Tot slot

Dat kinderen tegenwoordig dus meer moeite hebben met vaardigheden als stuiteren, hinkelen en klimmen licht dus aan verschillende dingen:

1. Het explorende bewegingsgedrag van het kind wordt minder getriggerd omdat de omgeving (minder buitenspelen) hier minder toe uitlokt.

2. Het zelfbeeld en zelfvertrouwen daalt omdat ze denken dat ze het niet kunnen.

3. De variatie van bewegingsaanbod is verkleind naar 1 sport. Terwijl variatie en het breedte aanbod van de sport juist zo belangrijk is voor de brede motorische ontwikkeling.

X